06 August 2026

In je jonge jaren kun je zulke heftige dingen meemaken, dat je zwaar getraumatiseerd raakt. Dit kan grote gevolgen hebben voor de manier waarop je je hecht aan de mensen om je heen. In sommige gevallen kun je dan een hechtingsstoornis ontwikkelen. In dit artikel gaan we dieper in op wat dat inhoudt.

Tekst: Redmar Smit
Eleos: Marleen Gerrits, gz-psycholoog en zorgprogrammaleider hechtingsstoornissen en persoonlijkheidsproblematiek

Hechting is een heel belangrijk proces. Het heeft veel impact op hoe je je ontwikkelt, bijvoorbeeld als het gaat om emotieregulatie. Het bepaalt ook voor een deel je zelfbeeld: mag je zijn wie je bent en heb je voldoende zelfvertrouwen? Het zegt ook iets over je relaties: ervaar je verbinding met andere mensen? Bij hechting is het belangrijk dat een ouder nabij genoeg is, maar ook ruimte geeft aan het kind om zelf het leven te ontdekken. Het moet zelfstandigheid leren en ervaren dat fouten maken oké is. Het moet weten dat het altijd weer bij zijn of haar ouders terechtkan voor troost. Zo krijgt het kind het gevoel dat het gewaardeerd wordt en geliefd is. Als die veilige haven er niet is, weet een kind niet meer wat het moet doen. Het zoekt dan ook geen troost meer, maar gaat zijn of haar emoties op een eigen, onhandige manier reguleren. Het ervaart: ik ben niet goed genoeg. Als het hechtingsproces (ernstig) verstoord wordt, kan dat zorgen voor een hechtingsstoornis of -problematiek. Een stoornis komt weinig voor. Bij kinderen wordt maar bij 1 procent de diagnose gesteld. Het gaat dan ook om zwaar getraumatiseerde kinderen. Denk aan een zeer onveilige thuissituatie, met verwaarlozing, mishandeling, misbruik en allerlei andere traumaklachten. Bij een hechtingstoornis ligt altijd een trauma ten grondslag. Hechtingsproblematiek komt veel vaker voor.

Geremd en ontremd

Kinderen met een hechtingsstoornis ontwikkelen al jong klachten. Zelfs bij baby’s is er soms al aanwijsbaar gedrag te zien. Ze vinden bijvoorbeeld weinig troost bij de ouder.

Vanaf een jaar of vijf kun je duidelijker gedragingen zien die kunnen wijzen op een hechtingsstoornis. Er zijn twee typen te onderscheiden: de geremde hechtingsstoornis en de ontremde. Geremd betekent dat iemand heel erg teruggetrokken en verlegen is. Hoewel er sterke behoefte is aan sociaal contact, vermijdt iemand dat juist, uit angst voor afwijzing, schaamte of kritiek. Bij het ontremde type zijn kinderen juist grenzeloos in het contact. Ze gaan sneller bij anderen op schoot zitten, delen al gauw met vreemden hun levensverhaal en reageren vaak impulsief. Ze zijn vrijer, maar daardoor reageren ze in bepaalde situaties niet altijd passend. Als je bijvoorbeeld geweld meemaakt in je thuissituatie, is het een logisch gevolg dat je dat zelf vroeg of laat ook gaat toepassen. Ook kan iemand manipulatief zijn. Of iemand zich geremd of ontremd ontwikkelt, heeft te maken met de omgeving en een stukje aanleg. Het moeilijke aan een persoonlijkheidsstoornis is dat iemand heel moeilijk dieper contact kan maken. Oppervlakkig lukt nog wel, maar relaties en vriendschappen écht aangaan en onderhouden, lukt vaak niet. Sterker nog: ze gaan die het liefst uit de weg, omdat ze niemand echt vertrouwen. Ook is hun eigenwaarde vaak heel laag en zijn ze angstig. Gedragingen die horen bij een hechtingsstoornis worden al snel geduid als autisme, ADHD of opstandig gedrag, terwijl er onderliggend dus iets anders aan de hand kan zijn. Daarom is het als hulpverlener heel belangrijk om bijvoorbeeld door middel van vragenlijsten en spelobservaties te ontdekken wat je nu eigenlijk ziet bij het kind.

Hechtingsfiguur

Een hechtingstoornis gaat dieper dan hechtingsproblematiek. Beiden zeggen iets over de relatie tussen ouder en kind. Bij een stoornis is er altijd sprake van een trauma; bij de problematiek is dat niet het geval, of in ieder geval minder heftig. Meestal is er nog wel een hechtingsrelatie tussen ouder en kind, maar die is onhandig of problematisch. Vaak kun je die nog heel goed behandelen, omdat de klachten milder zijn. Als je als ouders een gezonde basis geeft, is er al veel te repareren. Bij een stoornis is er helemaal geen sprake van een hechtingsrelatie, waardoor het gedrag vaak zo extreem is. Het is heel ontwrichtend als een kind in een veilige situatie opgroeit. Kinderen met een hechtingsstoornis komen vaak laat binnen bij de ggz. De problemen zijn vaak al hoog opgelopen. Je ziet dat ze eerst bijvoorbeeld in aanraking komen met de jeugdbescherming of uit huis worden geplaatst. Hoe eerder iemand in behandeling komt, hoe beter het herstel. Van groot belang is het dat deze kinderen een veilige hechtingsfiguur om hen heen krijgen, zodat ze op een gezonde manier kunnen opgroeien en zich leren hechten. Alternatieve hechtingsfiguren – zoals een opa of oma, juf of meester, buurman of buurvrouw – die het kind wel echt horen en zien, werken heel compenserend. Volledig herstel is moeilijk, maar niet onmogelijk. Er zijn tegenwoordig goede therapieën (zie kader). Daarnaast is de loyaliteit van kinderen naar ouders zo groot, dat je nog weleens ziet dat wanneer ouders uiteindelijk erkenning geven aan het kind, er ruimte ontstaat om dingen te repareren.

(On)gezonde relatie

Een hechtingsstoornis heeft gevolgen voor het aangaan van relaties. Vaak ontstaat er wantrouwen en angst richting de ander. Een hechtingsstoornis is een voorbode van verdere persoonlijkheidsproblematiek. Patronen die je in de jonge jaren ontwikkelt (en niet behandeld zijn), slijten diep in iemands systeem.  Er ontstaan overtuigende patronen die niet kloppen. Dat heeft te maken met hoe iemand naar zichzelf en naar de ander kijkt en hoe hij of zij omgaat met emoties. Dat kan zorgen voor veel problemen in relaties. Het inzien en doorbreken van patronen is moeilijk. Als je daarmee worstelt, kun je proberen te ontdekken welke patronen en valkuilen je herkent. Wat doe ik niet zo handig en hoe kan het anders? Wil je graag een relatie aangaan, maar vind je dat lastig? Stel je dan kwetsbaar op door aan te geven wat je moeilijk vindt. “Dit is mijn valkuil, wil je me helpen om daarin meer balans te zoeken?” Zet kleine stapjes en probeer niet te claimend te zijn. Check ook bij de ander of hij of zij voldoende ruimte krijgt. Dat vraagt van de ander om grenzen te stellen en daar heel duidelijk over te zijn. Ook goede zelfzorg is belangrijk. Creëer afstand als dat nodig is. Vaak is het geven en nemen uit balans, waardoor je jezelf makkelijk kunt kwijtraken.

Geloof kan voor iemand met een hechtingsstoornis ingewikkeld zijn. God als vaderfiguur zien, kan moeilijk zijn. Kinderen die opgroeien in een onveilige situatie ontwikkelen vaak een godsbeeld waarin God een straffende God is, Die op afstand staat en bij Wie ze geen hoop of troost kunnen vinden. God voelt onveilig. Toch kan God ook functioneren als een hechtingsfiguur en daarmee een beschermende factor zijn. Zijn liefde is niet afhankelijk van hoe wij ons voelen of wat we hebben gedaan. Bij Hem kun je altijd terecht. Door Hem ben je geliefd en in Christus aanvaard.

Kader

Het is heel belangrijk dat ouders of opvoeders bij de behandeling betrokken worden. In de integratieve gehechtsheidsbevorderende traumabehandeling voor kinderen (IGT-K) leren ouders of opvoeders het kind traumasensitief op te voeden. Die behandeling is erop gericht de gehechtheid te ontwikkelen en de traumaklachten bij het kind aan te pakken. Een andere therapie is MBT-K (mentaliseren bevorderende therapie voor kinderen). Daarin leert het kind zijn of haar emoties te reguleren en die van de ander te herkennen. Voor het inzicht krijgen in patronen is er schematherapie.

Kijk voor meer informatie op www.eleos.nl.

 

Reacties

Laat een reactie achter

Wil je graag reageren op dit verhaal. Heb jij er iets aan gehad? Of wil je gewoon iets met ons delen? Laat dan een reactie achter.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *