#Knikkerbaan

09 augustus 2021

Ik worstel. Ik worstel: met mijn buitenkant. Ik worstel met naampjes, met functies, met voorwaarden, met het zoeken naar verschillen in plaats van overeenkomsten, met ongelijkwaardigheid. Ik zie maar één overeenkomst tussen ons als mensenmassa, gelovig of niet: we zijn allemaal hetzelfde. Er bestaat geen verschil. Ik ben op een naam uit, ik ben op een erkende functie uit, ik ben op een plek van aanzien uit, ik wil beter zijn dan de ander. Ik noem zoiets voor mezelf vaak ‘kroontjes’. Ik werk naast het ervaringswerk bij familie. Zonder naam, zonder functie, zonder aanzien, zonder ‘beter zijn dan’. Mijn Curriculum Vitae wordt er niet blijer van wanneer ik opschrijf dat ik de ene dag schilder ben, de andere dag stukadoor, glazenwasser of puinruimer. Maar, ik geniet!

Nja, niet altijd. Ik worstel met mijn plek in de maatschappij. Het is te klein voor mijn eigen eer. Ik wil opklimmen op de ladder van aanzien, maar het wil niet. Iets in mij schopt hier fel tegen dat mijn lichaam niet meer kan zoals voorheen. Iets in mij komt in verzet tegen het zakken door elke trede. Iets in mij gruwt om telkens met beide benen op de grond terecht te komen. Ik worstel: met mijn binnenkant.

Ik denk aan een knikkerbaan met vier diagonale plankjes, waar ik vroeger als kind mee speelde. Ik stop de knikker bovenin. De knikker rolt door de zwaartekracht alleen naar beneden. Van plankje één naar plankje vier, tot op het opvangbakje. Op mijn bovenste plankje staat: ‘naam’, op mijn tweede: ‘functie’, op mijn derde: ‘aanzien’ en mijn vierde: ‘beter-zijn-dan’. Daar vind ik ze. Tijdens en buiten het ervaringswerk. In een rollende beweging richting de onderste laag van de samenleving. In de richting van de bodem van de rotzooi van ons bestaan. De (ver)schillen van buitenkant vallen weg.

Ik worstel verder: met oppervlakkigheid. Met zinloze gesprekken over verwachte kleding, verwacht gedrag of verwachte taal in leven en geloof. Met doelloze pieker-controle over een donker heden, enge toekomst of vijandige maatschappij. Met blijvende stigma’s, plakkertjes, eindeloze symptoombestrijding of het beoordelen van de oppervlakte. Met volmaakte prestatiegodsdienst zonder dienende liefde.

Kinderen stoppen de knikker steeds weer bovenin. Ik ook. Ik probeer het nog eens. Op mijn bovenste plankje staat nu ‘verwachting’, maar ik zak er doorheen omdat mijn krachten blijven ontbreken om zelfs al aan mijn eigen verwachting te voldoen. Op mijn tweede plankje staat nu ‘controle’, maar mijn eigen balans is zelfs al een chaos. Op mijn derde plankje staat ‘zelfvertrouwen’, maar ik ben ‘m vaak zelf al zoek in de hoeveelheid vastgeroeste plakkaten die oorzaken en (geloof)waardigheid verdoezelen. Op mijn vierde plankje staat ‘godsdienst’, maar ik vergis mezelf en haal de woorden prestatie en dienen door elkaar. Daar vind ik ze, onderaan de knikkerbaan. Hulpvragers in plaats van kroondragers. Gezakt door eigen kunnen. Op de bodem van de kern van het hart. In krochten van rauwe haat, schervende woede, bittere angst, jammerend verdriet en eenzame wonden. In putten van omarmende onkunde, schamende puurheid en stinkend vuilnis van leven en hart door poging zoveel. Jericho’s-muren verliezen de strijd.

Ik verplaats de knikker nog eens naar boven. Wie weet is het nu het proberen waard. Ik rol opnieuw: verder naar de diepte. Op het bovenste plankje staat nu: ‘een goed voorbeeld’, maar ik doe chagrijnig omdat mijn reikwijdte niet verder gaat dan nu en dit moment. Op mijn tweede plankje staat: ‘geduld’, maar ik mopper op de HEERE bij het eerste moment wanneer ik me opnieuw energieloos voel. Op mijn derde plankje staat: ‘kinderlijk vertrouwen’, maar ik sputter wanneer Gods plan niet strookt met mijn uitgedachte wensen. Op mijn vierde plankje staat: nja, ik kan doorgaan tot oneindig.

De knikker stopt met rollen. Ik besef ineens dat in het opvangbakje uitgeholde gaatjes bevinden. Heel even houd ik mijn hand stil en bewonder alleen. Dáár vind ik het!

Daar ligt de zoete rust die vrij is van bekroonde prestatie. Daar ligt de vatbaarheid voor onvoorwaardelijke liefde. Daar liggen uitgedroogde grachten voor overstijgende verbinding. Daar liggen lege vaten voor het vullende Evangelie. Daar vallen alle issues, (kerk)muren en veroordelingen weg. Daar blijft één overeenkomst over: we hebben samen hulp nodig, we hebben samen Christus nodig in onze eigen puinhoop.

Daar in dat Fundament zitten diepe doorgeslagen gaten, groot genoeg voor een uitgerold mens. Daar ligt de onbeperkte toegang tot de insluitende genade, vergevende liefde en adopterende aanname van God de Vader. Daar ligt de bloedrode opening tot de troostende leiding, druppende weldaden en stromende zegen van God de Heilige Geest. Daar blijft maar één Kroondrager over.

Daar vind ik ze. Meer zakken kunnen ze niet, omdat hun bestaansrecht eeuwig vastligt in maar Eén onbewogen Naam. Meer verliezen kunnen ze niet, dan in volle, strijdende verantwoordelijkheid beamen: ‘less is more’.

Mits.

Al schrijvend stop ik de knikker weer bovenin. Op mijn eerste plankje staat een woord met drie letters. Een woord met twee identieke, tegenstribbelende, enigszins ‘rol-bare’ klinkers. Eindigend met een rechtopstaande medeklinker. Terwijl ik zo goed weet dat de eerste twee klinkers de zwaartekracht meehebben om de medeklinker naar beneden te halen.

Reacties

Laat een reactie achter

Wil je graag reageren op dit verhaal. Heb jij er iets aan gehad? Of wil je gewoon iets met ons delen? Laat dan een reactie achter.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *